STANDPUNT VAN voormalig gedeputeerde Jos Geuens


Terugblik op 25 jaar provinciaal integraal waterbeleid

Toen Jos Geuens in 1985 aan de slag ging als gedeputeerde van de provincie Antwerpen, was er in Vlaanderen nauwelijks sprake van een integraal waterbeleid. Dat veranderde na september 1998, toen aanhoudende regenval leidde tot grootschalige wateroverlast. De gebeurtenis werd de katalysator voor nieuwe inzichten, wetgeving en diensten in de provincie Antwerpen en heel Vlaanderen. Gedeputeerde Jos Geuens kreeg in 2001 de bevoegdheid om het waterbeleid van de provincie Antwerpen op de rails te zetten. We plukken vandaag nog steeds de vruchten van het politieke beleid van toen, en dat is een van zijn verdiensten. Hij vormde jarenlang een mooie tandem met Didier Soens, de directeur van de dienst Integraal Waterbeleid. Didier blikt samen met hem terug op 25 jaar provinciaal waterbeleid.

Didier: Jos, hoe zag het waterbeleid eruit vóór de grote wateroverlast van september 1998?

Jos: Voor die tijd waren de waterlopen in feite een vaste annex aan de gedeputeerde voor landbouw. In de tijdsgeest van toen werden ze beheerd zoals provinciale wegen: een ingenieur schreef aanbestedingen uit voor het ruimen van de waterlopen en het herstellen van oevers, en een aantal kantonniers hield toezicht op de waterlopen. De doorstroming van de waterlopen en het overstromingsgevaar voor aanpalende bewoners werden opgevolgd, maar daar bleef het bij. Er was geen enkele milieudienst bij betrokken en natuuraspecten kwamen niet aan bod. De wateroverlast in september 1998 werd een kantelmoment voor het waterbeleid: we kunnen echt spreken van een voor en na. Ik was als gedeputeerde heel actief op het vlak van leefmilieu, maar tot aan de verkiezingen van 2000 behoorde het niet tot mijn bevoegdheid. Dat veranderde in 2001, toen ik naast de bevoegdheid over het Provinciaal Instituut voor Hygiëne (PIH) ook Leefmilieu en Waterbeleid kreeg. De problematiek van de waterlopen was urgent. Ik was ook bevoegd voor financiën en kon doen wat op dat moment nodig was voor de waterlopen. Het herstel van de natuurlijke structuur van de waterlopen werd dankbaar meegenomen in het hele verhaal. Laten we eerlijk zijn, in die tijd zou natuurontwikkeling rond de waterlopen niet mogelijk geweest zijn zonder de urgentie van de wateroverlast. Maar plots maakte het deel uit van diezelfde strategie.

Didier: Wat waren de grootste uitdagingen voor het waterbeleid na 1998?

Jos: De eerste uitdagingen waren de talloze bezoeken van mensen op het terrein. Een brandweer­commandant kwam wel twee keer per maand langs voor een stand van zaken. Na een overstroming ebt de urgentie immers snel weg. Kort na zo’n gebeurtenis worden er grote woorden uitgesproken, maar het is niet altijd evident om die om te zetten in daden. Mijn voormalige collega trok bijvoorbeeld met actieplannen naar de gemeenten, maar het ging niet vooruit. Er was immers geld nodig. Ook voor de Vlaamse Regering was de problematiek niet altijd urgent. Mensen hebben een kort geheugen, en dat geldt ook voor politici. Zo was er een grote nood aan pompsystemen in de benedenlopen rond Lier. En het was niet evident om in Balen uit te leggen dat er ook in de gemeente ingrepen nodig waren omdat er een probleem was in Lier. Particuliere belangen maakten het extra moeilijk. Zo kochten we in een eerste fase enkele huizen op waar bij zwaar stormweer telkens opnieuw het water langs de deuren naar binnenstroomde. De provincie Antwerpen besliste om een uitdoofbeleid te voeren, waarbij woningen werden afgebroken. Dat was heel vooruitstrevend; op Vlaams niveau was het not done. Het werd ons natuurlijk niet in dank afgenomen, ook niet in mijn eigen gemeente Balen. We hadden nochtans een aantrekkelijk aanbod voor de eigenaars van de huizen. We hebben hen niet onteigend, ze werden ordentelijk vergoed.

Didier: Toch ben je erin geslaagd om voldoende middelen te krijgen voor waterbeleid.

Jos: Ik had het geluk dat ik een goede verstandhouding had met de Vlaamse regering. Daarnaast moest ik een strijd voeren in mijn eigen deputatie, want ook bij mijn collega’s was de urgentie wat weggewaaid. In gouverneur Camille Paulus vond ik een stevige bondgenoot. Want het zijn de gouverneurs die bij dergelijke rampen hun laarzen moeten aantrekken en oog in oog komen te staan met de bevolking en daarbij de radeloosheid moeten opvangen.

Didier: We delen een lang professioneel verleden. Hoe blik je 25 jaar later terug op die samenwerking?

Jos: Toen we het beheer van de waterlopen overnamen, begonnen we niet met een wit blad. Binnen het PIH is de eerste kiem gelegd. Ook toen al had het de functie van laboratorium voor de gezondheids- en milieusector, met onderzoeken volgens vraag en aanbod, maar ook – en vooral – voor eigen beleid. Er werden veel jonge, dynamische mensen in dienst genomen, die zich intens bezig hielden met milieubeleid. We begonnen hoofdzakelijk met de inventarisering en de monitoring van de milieuproblematiek in de provincie, en dat was nieuw. Zo werden onder andere oude stortplaatsen en alle lozingspunten in kaart gebracht, foto’s inbegrepen, die vervolgens aan de gemeenten bezorgd werden. Letterlijk, want het digitale tijdperk was nog niet uitgevonden. Dat waren dus dikke bundels. Vanzelfsprekend kwamen ook de waterlopen in beeld. Het was de bedoeling om zo dicht mogelijk bij de gemeentebesturen te opereren en samen met hen beleid te maken dat de gemeentegrenzen overschreed. Een van die jonge, dynamische afgestudeerden was Didier Soens. Hij begon in 1994 zijn loopbaan bij het PIH om de gemeentelijke regiowerking op te starten. Daar ging ook onze samenwerking van start. Toen Didier startte als jongste directeur binnen het bestuur van de provincie Antwerpen, bracht hij dus de opgebouwde terreinkennis van het PIH mee. We kopieerden grotendeels de werkwijze van het instituut en wisten meteen wat er moest gebeuren op welke locaties. Maar er was wel masseerwerk nodig - in alle richtingen. En de gemeenten waren daarbij belangrijke actoren. We waren ons ervan bewust dat we ook moesten werken aan onze communicatievaardigheden. Om onze doelstellingen te bereiken was overleg nodig met bewoners en andere stakeholders rond de waterlopen. Tegelijkertijd kwam er een nieuwe golf van jonge mensen aan. We konden systematisch een sterk team samenstellen om onze overtuiging uit te dragen. Daar ben ik heel blij om.

"Stakeholdersdemocratie is nadrukkelijk veld aan het winnen op de klassieke politieke democratie. Onze samenleving is een fijnmazig netwerk geworden van belangen, organisaties en culturen die allen verantwoordelijkheid willen opnemen en dialoog opeisen. Niemand is beter geplaatst om er passend mee om te gaan dan de provinciebesturen."


Didier: Stel dat je vandaag nog steeds de gedeputeerde voor het waterbeleid was, welke klemtonen of prioriteiten zou je dan leggen?

Jos: Stakeholdersdemocratie is nadrukkelijk veld aan het winnen op de klassieke politieke democratie. Onze samenleving is een fijnmazig netwerk geworden van belangen, organisaties en culturen die allen verantwoordelijkheid willen opnemen en dialoog opeisen. Niemand is beter geplaatst om er passend mee om te gaan dan de provinciebesturen. Veel actoren willen betrokken worden. Denk maar aan de 6000 boseigenaars die samen met ons beleid maken in de 3 Bosgroepen, de meer dan 100 organisaties die actief zijn in de Regionale Landschappen, de vele VVV’s in de toeristische sector, de 25 donateurs en gemeentebesturen in de stichting Kempens Landschap. Volwaardige democratie vraagt een bestuur dat kan mobiliseren en met stakeholders aan de slag kan. Geen enkele overheid is er beter in geschoold dan de Vlaamse provincies. De provincie Antwerpen, ooit het departement van de twee Netes, is bij uitstek geschikt om het waterlopenbeleid uit te voeren. Bovendien is het bestuur democratisch gelegitimeerd, onder toezicht van de Provincieraad. Het is jammer dat deze meerwaarde telkens opnieuw ter discussie gesteld wordt.

Didier: Het waterbeleid is sindsdien enorm geëvolueerd. Volg je het nog steeds op, of heb je het losgelaten?

Jos: Toen ik net gestopt was als gedeputeerde, vroeg ik bij zwaar stormweer regelmatig of de pompen het gehouden hadden, maar met de tijd slijt dat wel. De wijze waarop het waterbeleid in de provincie Antwerpen getransformeerd is, wekt vertrouwen: we kunnen zeker wat aan. Maar tegelijkertijd is de aard van de regenbuien veranderd. Waar we vroeger over een storm spraken, hebben we het nu over waterbommen. We moeten dus heel voorzichtig zijn, niemand in de wereld kan nog garanderen dat we onze voeten droog houden.

Didier: “Klopt, en de term ‘droge voeten’ gebruiken we overigens niet meer, omdat we sinds een jaar of tien ook met andere grote uitdagingen te kampen hebben, zoals droogte.

Dankjewel voor dit interview en uiteraard voor onze vruchtbare samenwerking tijdens al die bepalende jaren voor het provinciale waterbeleid.”

Deel dit artikel

Terug naar inhoudstafel